Auke Jan Veenstra, public affairs manager verduurzaming FrieslandCampina

‘De dialoogconstructie in het Markemodel is uniek, omdat het doelsturing handen en voeten geeft.’

Auke Jan is bij FrieslandCampina de spin in het web als het gaat om verduurzamingsbeleid en uitwerking daarvan van de bedrijven van de leden-melkveehouders. Namens de zuivelcoöperatie zit hij in het regieteam van de Markeraad van DMG en is daardoor inhoudelijk zeer betrokken.

lees verder

Auke Jan Veenstra, public affairs manager verduurzaming FrieslandCampina

‘De dialoogconstructie in het Markemodel is uniek, omdat het doelsturing handen en voeten geeft.’

Waarom doet FrieslandCampina mee aan DMG?

In Nederland ziet men steeds meer het belang om regionaal te kijken naar de opgaven. Om het landelijke beleid te verschuiven naar de provincies. Als FrieslandCampina zoeken wij naar perspectief voor onze leden-melkveehouders. En ook wij zien het belang om vanuit een regionale insteek te werken aan de opgaves. Te werken aan een verdere verduurzaming van de melkveehouderij.

En het Markemodel als ‘motorblok’ van die regionale invulling en aanpak van de opgaven helpt daarbij?

Zeker, ik zie het als een bottom-up sociaal model op basis van de dialoog. Een perfect vehikel op om regionale schaal in actie te komen. Gebaseerd op luisteren, vertrouwen opbouwen en gelijkwaardigheid tussen melkveehouders en vragende en eisende partijen in het gebied. Ik zie het dus niet als een doelsturingsmodel. Maar we geven doelsturing regionaal wel vorm en inhoud. Het gaat ook verder dan een onderhandelingsmodel, wat in de praktijk niet vaak tot echte resultaten leidt. De dialoogconstructie in het Markemodel is uniek, omdat het doelsturing handen en voeten geeft.

Wat is de rol van FrieslandCampina binnen DMG?

Wij zijn al vanaf het begin betrokken bij de ontwikkeling van het Markemodel. Vanuit de kennis en ervaring die we hebben opgebouwd in de GLB-pilot rondom Winterswijk en ’t Klooster, rollen we het nu uit in meer gebieden in Gelderland. In de hoop dat dit een bestendige werkwijze wordt, waarmee we ook onze leden-melkveehouders kunnen ondersteunen.

Net zoals bij DMG, werken jullie binnen het kwaliteitsprogramma Foqus Planet ook met KPI’s. Hoe verhoudt dat zich ten opzichte van elkaar?

Een terechte vraag en ik benadruk dat ons coöperatieve gedachtengoed ook is gebaseerd op het principe van gelijke monniken, gelijke kappen. Onze financiële bijdrage aan DMG komt daarom niet in de ‘beloningspot’, maar is bedoeld om het sociale bottom-up model verder te bestendigen. Want de accenten van de opgaven of doelen zijn in het ene gebied nu eenmaal anders dan in het andere gebied. Maar binnen het Markemodel en Foqus Planet spreken we wel allemaal dezelfde taal, uitgedrukt in KPI’s. De duurzaamheidsrichting waarin we als zuivelcoöperatie willen bewegen stimuleren we via wat we binnen Foqus Planet de topwaarden noemen. In het Markemodel werken we met streefwaarden en worden de regionale verschillen ingevuld door wegingsfactoren. Dus als lid-melkveehouder heb je dan te maken met je zuivelcoöperatie (Foqus Planet) en je gebiedsaanpak. Maar de taal is hetzelfde, waardoor je maatwerk per gebied kunt maken.

Wat is het belang van FrieslandCampina om mee te doen in DMG?

We zoeken naar handelingsperspectief voor onze leden. Er liggen grote opgaven op het gebied van emissies naar het water, bodem en lucht. En biodiversiteit. In die zoektocht naar meer handelingsperspectief, zien we dat het zwaartepunt meer en meer komt te liggen bij provincies. Hoe kunnen we die regionale gebiedsopgaven beter vastpakken met elkaar? Ons doel is om marktontwikkelingen op verduurzaming maximaal te verbinden aan Europese, landelijke en regionale beleidsrichtingen. Hoe komen we tot regionaal beleid met mogelijkheden. Niet alleen voor stapeling van beloningen, maar ook melkveehouders vanuit hun vakmanschap echt in hun kracht zetten. Als bedrijf is ons strategisch belang natuurlijk ook om zoveel mogelijk melkveehouders melkveehouder te laten zijn.

In de Markeraad zitten zowel vragende (private) partijen als eisende (publieke) partijen. Hoe belangrijk is die mix?

Het is belangrijk om alle partijen die een rol hebben in de regionale opgaven mee te nemen. En daarbij is het ook belangrijk om de markt te koppelen aan gebiedsprocessen. Met name wat betreft het bepalen van een methodiek om regionale doelen en streefwaarden vast te stellen. Het is zó belangrijk dat we allemaal dezelfde KPI-taal spreken door de hele keten heen: van de boer tot aan de markt. Dat doe we al wat betreft de CO2 voetafdruk en mede daardoor kunnen we voor emissiereductie op dat vlak geld uit de markt halen. Bij biodiversiteit worden nu ook internationaal slagen gemaakt om te komen tot zo’n zelfde methodiek. Als je als boeren, publieke én private partijen allemaal dezelfde taal spreekt en regionale afspraken maakt, kom je vooruit. Daarbij is het gezien de nationale beleidsopgaven, onontkoombaar dat de streefwaarde van een melkveehouder op dezelfde KPI in gebied X hoger zal zijn dan in gebied Y. Die extra beloning komt dan van andere partijen dan FrieslandCampina.

Je schetst een hoopvol beeld van regionale doelsturing met KPI’s. Wordt het nationaal ook realiteit?

Ik denk het wel, mits die doelsturing in de juiste stappen wordt ingericht, zoals met het Markemodel. Daarbij draait het vooral om twee dingen: monitoring en stimuleren. Je moet een goede monitoring hebben van de prestaties, waarbij er een belangrijke rol is weggelegd voor de Kringloopwijzer. En je moet het interessant maken voor boeren, melkveehouders om in beweging te komen. Niet via de stok (je móet dit of dat want anders….), maar in de vorm van extra financiële beloning en het delen van kennis en ervaring op allerlei manieren.

Boeren waarderen die financiële beloning, maar vinden meer ondernemingsruimte of beleidsruimte belangrijker. Snap je dat en zie je dat ook zo?

Dat snap ik helemaal en is ook terecht. Beleidsruimte levert veelal meer op dan financiële beloningen uit regio of markt. Wel is het zo dat de financiële beloning binnen FrieslandCampina’s Foqus Planet voor duurzaamheidsresultaten al best fors is, dat moet je niet onderschatten. Daar waar we duurzame inspanningen van boeren als extra toegevoegde uit de markt kunnen halen doen we dat al. Dat zit nu vooral in klimaatdoelstellingen en in toenemende mate in biodiversiteit. Maar als het gaat om echt lokale doelen als ammoniak, water, landschap: dat zijn inspanningen die met publiek geld beloond moeten worden. Niet als vergoeding van kosten, maar als vergoeding voor het leveren van ecosysteemdiensten.

Maar ik ben het met boeren eens: uiteindelijk zal de aanpak via bijvoorbeeld het Markemodel wettelijk verankerd moeten worden. Nationaal, maar ook internationaal. Waarbij je juridisch ook bedrijven individueel kunt afrekenen op basis van betrouwbare data van het individuele bedrijf. Maar ook beleidsruimte kan bieden bij goede prestaties. Dat gaat nog wel even duren. Maar als publieke partijen óók een been bijtrekken – denk aan provincie, waterschap, gemeente, het Rijk, de EU –  krijgt de verdere verduurzaming een enorme boost.

Er zijn talloze gebiedspilots en -projecten. Waarin onderscheidt het Markemodel zich?

Het Markemodel faciliteert op de juiste manier het bottom-up proces. Met een heel goed oog op het sociale aspect. Kennen we elkaar, luisteren we naar elkaar, vertrouwen we elkaar. Dat zijn cruciale elementen. Het is een manier waarbij je boeren, waar al die opgaven op het erf belanden, in een gelijkwaardige positie zet. Natuurlijk wordt het spannend naarmate de doelen scherper worden, de drempel- en streefwaarden hoger worden. Maar je kunt het heel lang met elkaar volhouden als je in een setting van vertrouwen en dialoog samen met doelen aan de slag gaat.

Wat is er nodig om het Markemodel echt te laten vliegen?

Dat hangt er vooral vanaf of er daadwerkelijk beleidsruimte wordt gevonden. Dat is echt de positieve ‘way out’ om hier een bestendig vliegwiel van te maken. Dat vraagt om flexibiliteit van de overheid. En ja, dat is een grote uitdaging want veel wetgeving is in de EU vastgelegd. Maar het is de enige manier om van regionale doelsturing echt een bestendig vliegwiel te maken.

Wat wil je de landelijke politiek dan meegeven?

Als eerste: beweeg mee op de golf die vanuit de markt al is ingezet. Het belonen van extra inspanningen vanuit dezelfde taal en KPI’s. Dus ga vooral geen parallel universum ontwikkelen. Ten tweede: ga op een proactieve manier kijken hoe je van generiek naar regionaal beleid kunt komen. Dat vraagt flexibiliteit niet alleen van de nationale overheid, maar ook die in Europa. Wat wij blijven doen met het Markemodel is gaten boren in het spreekwoordelijke beton van beleid en wetgeving.